Quinten

Martijn de Rijk in gesprek met Quinten Langes - 28 juni 2020

MR Jij staat op de drempel van je afstuderen. Ik heb je begeleid bij het schrijven van je eindessay, getiteld: ‘hoe de buitenstaander een rol speelt in mij schrijven.’ En je vertrekt je essay vanuit je bewondering voor een bekende buitenstaander uit de nabije geschiedenis, namelijk Rosa Luxemburg. Wat vind je in haar, of haar leven, of haar levenshouding het meest tot voorbeeld spreken? Wat bewonder je zo aan haar?

QL Wat bewonder ik aan haar? Dat zijn een heleboel dingen. Ik denk dat het voornaamste is dat het voor mij als schrijver een interessant uitgangspunt is hoe iemand heel bevlogen en geëngageerd en pamflettistisch in de wereld kan staan en die wereld ook benadert, en die ook behapbaar probeert te maken voor de mensen om haar heen, enerzijds. En anderzijds ook een behoefte voelt, soms, zodra die manier van schrijven of die houding haar teveel werd, dat ze ook eigenlijk bereid was, had ik de indruk, dat ze gewoon ook wilde verdwijnen en opgaan in de natuur. Dus die dualiteit, die zich ook manifesteert in haar taalgebruik, dus in heel prozaïsche, dichterlijke woorden, in haar brieven aan vrienden, vind ik heel erg tot de verbeelding spreken. Dat zij uit die twee vaatjes kon tappen in haar schrijven en dat ongeacht wat ze ook schreef, dat allebei heel zuiver deed.

MR Ja. Heb je die twee kanten ook? Die pamflettistische kant en het verlangen naar even niet?

QL Ja, ik merk dat dat iets is wat mij elke dag, of in elk geval als ik schrijf, meer dan wanneer ik niet schrijf, bezighoud, omdat het eigenlijk per dag kan verschillen. Dus ik kan me heel erg bezig houden met het feit dat we ons in de zesde uitstervingsolf bevinden de ene dag, maar de volgende dag heb ik zoiets van ik wil er even niets van weten, ik ga een stuk wandelen of ik lees poëzie om dat toch weer in balans te brengen, omdat teveel van het een, maar hetzelfde geldt ook teveel van het ander, zorgt, in elk geval voor mij, voor een disbalans.
En als ik me voed met poezie of natuur, betekent dat ook dat ik me weer voel gesterkt om, meer geharnast voel om inderdaad weer die spreekwoordelijke barricade op te klimmen en vice versa.

MR Ja. Dus het staat ook in dienst van elkaar?

QL Ja. MR In je onderzoek poneer je jezelf als een buitenstaander. Wat ik een heel interessant motief vind. Wanneer ontdekte jij bij jezelf dat dat buitenstaander zijn een ding is?

QL Nou ja, in mijn eindonderzoek beschrijf ik dus mijn kind zijn, mijn jeugd, waarin ik dat eigenlijk met terugwerkende kracht, denk ik, voor het eerst moet hebben aangevoeld. En in mijn schrijven, denk ik, toch op et moment dat ik aan de Schrijfopleiding begon, omdat ik tot dan toe alleen maar poezie schreef en ook nog niet met het genre toneel of scenario bekend was. Dus in die zin was ik ook een vreemde eend in de bijt, die zoals, nou ja, mijn klasgenoten ook, een vak kwamen leren. Dus dat speelde mee. En gaandeweg mijn schrijfontwikkeling is dat steeds een terugkerend thema gebleven en gebleken. Ik heb bijvoorbeeld een personage geschreven voor Well Made Play in jaar twee dat bijvoorbeeld niet kon spreken, dus dat zichzelf ook letterlijk buiten de taal had geplaatst. Of de taal had zich buiten het personage geplaatst. En wat gebeurt er dan en hoe ziet het personage de wereld om haar heen dan? Dat vind ik ene hele interessante vraag.

MR Zou jij je voor kunnen stellen dat er een moment komt in je leven, tenminste hoe ik je tijdens je onderzoek heb leren kennen, volgens mij is het een heel betekenis gevend iets dat buitenstaanderschap voor jou als mens, maar ook als schrijver, vakmatig. Zou jij je voor kunnen stellen dat er een moment komt in je leven dat dat verdwijnt dat perspectief?

QL Kan ik me voorstellen dat dat verdwijnt? Dat voelt wat dubbel, want aan de ene kant hoop ik natuurlijk dat ik met mijn schrijven zoveel mogelijk nieuwe aanwas creëer, mensen die zich achter mijn standpunten scharen met betrekking tot politiek geëngageerd werk, maar ook met betrekking tot andersoortig werk. Aan de andere kant is het wel zo’n katalysator geweest in mijn schrijfontwikkeling, tot nu toe in elk geval, dat ik me niet kan voorstellen vooralsnog hoe ik het eigenlijk zonder zou moeten doen. Dus ik kan me voorstellen dat ik me er heel erg door onthand zou voelen. Aanvankelijk, als ik dat nu zou proberen voor te stellen, als ik morgen wakker zou worden en het zou er niet meer zijn. Het zit zo in mijn DNA verweven dat ik dat een moeilijk te beantwoorden vraag vind. Ik vind het wel een interessante vraag, omdat er natuurlijk altijd plek moet zijn voor meerdere perspectieven, maar daarvan geloof ik ook dat ik die perspectieven als buitenstaander het beste kan benaderen. En ze allemaal kan passen.

MR In je scriptie noem je een aantal voorbeelden van verschillende soorten buitenstaanders. Bijvoorbeeld de dichter, de anarchist, de criticus, de kunstenaar, de rebel. Met welke van die figuren voel jij je het meest verbonden?

QL Ja, dat is voor mij een spectrum denk ik. Dus in het verlengde van de vraag die je net stelde, dat ik de ene dag het ene kan zijn of voelen en de andere dag het ander, zo voelt het voor mij ook bij deze vraag. Kijk, een anarchist is ook een dichter, maar een dichter ook een anarchist. Dus ik denk dat die complementair kunnen zijn. Zo stel ik me ze ook voor, dat al die buitenstaanders eigenlijk ook een soort een gezellige vriendenclub zijn. Weet je wel? Ze hebben elkaar allemaal iets te vertellen, ze hebben allemaal iets van elkaar te leren, ze bewonderen elkaar, maar ze plaatsen elkaar niet op een voetstuk, want dat zouden ze nooit

doen, maar ik denk dat ik me de ene dag een anarchist voel en de andere dag een dichter. En alles wat daar nog tussenin zit.


MR Waarom zouden ze elkaar niet op een voetstuk plaatsen?

QL Ik denk dat dat te maken heeft voor mij met, en dan is dat denk ik de anarchist die nu spreekt, dat ik geloof dat niemand geregeerd mag worden door een ander. En dat is natuurlijk ook, zonder daar al teveel over uit te wijden, et hele idee achter onze electorale politiek: we vinken een naam aan op een stembiljet en zeggen ‘jij gaat de komende vier jaar besluiten maken voor mij’ terwijl ik niet geloof in dat idee. En ik denk dat we ook zien dat de afgelopen veertig jaar, en langer al, dat die moderne vorm van democratie de afgelopen tweehonderd jaar alleen een bepaalde groep mensen vertegenwoordigt, maar niet de ‘gewone’ man. Dus ik denk in die zin dat mensen op een voetstuk plaatsen, het hoeft niet alleen over politici te gaan, het kan ook over sporters gaan, of je baas, dat het verafgoden voor mij van mensen of dingen altijd iets ongelijkwaardigs heeft.


MR Ik begrijp het hoor, maar dat vind ik interessant. Dus je hebt bewondering voor mensen waarmee je ze op een of andere manier toch optilt, maar gelijker tijd zit je met een soort gelijkheidsideaal dat is natuurlijk spannend.
Ik heb natuurlijk ook je stuk doorgenomen: AMOK. Kun je kort uitleggen wat daar gebeurt? En dan heb ik als een soort van tweede vraag: wat zou voor jou de gedroomde opvoering zijn van dat werk?


QL AMOK gaat over, eigenlijk in het verlengde van waar we het net over hadden, de dichter enerzijds en de anarchist of de rebel anderzijds. En in AMOK vormen zij eigenlijk één personage, maar ik heb ze opgesplitst in twee personages of gedachtesporen waardoor het voor een lezer of een toeschouwer interessant wordt om je af te vragen ‘met wie rijd ik eigenlijk mee? En met wie niet?’ En daartussen kan ook gewisseld worden uiteraard. En gaandeweg is de dichter wel degene die de rebel, ik wil niet zeggen tot bedaren brengt, maar wel in zekere mate het scherpe randje eraf weet te beitelen waarmee de rebel toch een iets, ik weet niet of ze slagvaardiger wordt, maar in elk geval ook emfatischer naar zichzelf, omdat ze door de hele tekst heen zich heel erg voelt verplicht om haar stem in te zetten als instrument voor de mensen die geen stem hebben of voor mensen die wel een stem hebben, maar wiens stem niet wordt gehoord. En als ze dat niet doet voelt ze zich schuldig als ze dat niet doet, maar dat weegt wel emotioneel zwaar op het personage. Dus daarin helpt het andere personage, de dichter, haar om zachter te worden. En vanuit die verwondering kan nog steeds rebellie blijven.
En je tweede vraag. Oké, hoe ik het voor me zie, is dat het driehonderdvijfenzestig dagen per jaar als locatietheater op de Zuidas wordt gezet. Of zo’n soort plek. Dus in het hol van de leeuw.

MR Goeie. Mooi beeld. Quinten, ik wens jou veel succes. Geniet van het feit dat je nu aan een nieuw hoofdstuk in je leven mag beginnen. Heb je dingen op stapel staan? Plannen?


QL Eigenlijk niet. We hebben binnenkort een lezing bij tg ECHO met een aantal klasgenoten. Dat is vooralsnog het enige, maar iets waar ik wel heel erg naar uitkijk. Ja, dus dat vind ik heel erg leuk en daar ben ik heel erg benieuwd naar hoe dat wordt.


MR Ik wens je heel veel succes in dat nieuwe hoofdstuk en ik hoop je nog regelmatig tegen te komen in onze theaterpraktijk. En dank je wel voor dit gesprek.


QL Ja, dat hoop ik ook. Dank je wel.

In deze tussenin tijd en het aangezicht van teruggetrokken gevels
word ik verliefd op onhandig gefluister en breekbare voornemens,
ontdekkingen en speelsheid waarmee kinderen zich triomfantelijk tooien.
Openstaan voor perspectieven die niet van hen zijn,
maar wars van elke overname die hun helderheid aantast.
Ik herken die weigerachtigheid om mij te laten regeren.

Magdalena

-

Als ik buiten speelde vermomde ik me als verslaggever en terwijl ik dat deed was ik niet bezig met een toeschouwer. Het enige wat er toe deed waren de verhalen die ik reconstrueerde, of de fenomenen die ik bestudeerde. De verhaaltjes waren tenslotte maar aan één persoon gericht: ikzelf. Ik sprak hoogstens tegen een struik, maar een kijker of een nieuwslezer in de ‘studio’ ontbraken in mijn verbeelding. De buitenstaander onttrekt zich in veel situaties aan mensen en omstandigheden om zich te kunnen focussen op hetgeen waar het voor hem ‘echt’ wordt.

-

Quinten-Terry Langes

Mijn woorden zijn erop geënt om de nieuwsgierige zonderling in ons te koesteren en te voeden. Tegelijkertijd deins ik er niet voor terug mijn personages te confronteren met hun onmacht of tekortkomingen door ze flink uit de bocht te laten vliegen. Dit doe ik door mij te bedienen van het spectrum tussen verwondering en weigerachtigheid die keer op keer vruchtbaar blijkt voor mijn schrijven. De les die ik als schrijver heb geleerd tijdens het schrijven van AMOK, is dat rust is niet de vijand van verandering is, maar onderdeel van de brandstof. De romanticus en de rebel zijn niet elkaars concurrenten, maar complementair: de eerste formuleert een verlangen en de laatste kopt hem in.