̶I̶ ̶t̶h̶r̶o̶w̶ ̶m̶y̶s̶e̶l̶f̶ ̶i̶n̶t̶o̶ ̶t̶h̶e̶ ̶m̶i̶d̶d̶l̶e̶

 ̶I̶ ̶t̶h̶r̶o̶w̶ ̶m̶y̶s̶e̶l̶f̶ ̶i̶n̶t̶o̶ ̶t̶h̶e̶ ̶m̶i̶d̶d̶l̶e̶

We sporten ons kapot

We ontplooien ons zelf non-stop

We proberen te verstillen

We gebruiken van die apps

We letten op onze lijn

We zoeken naar rituelen

We zoeken naar onszelf

We verlangen naar natuur

We veranderen ieder uur

‘  ̶I̶ ̶t̶h̶r̶o̶w̶ ̶m̶y̶s̶e̶l̶f̶ ̶i̶n̶t̶o̶ ̶t̶h̶e̶ ̶m̶i̶d̶d̶l̶e̶’

 

Spel –  Louis van Rijt, Stefan Cappiello, Pien Trieling, Emma Remmelts, Annabelle Hinam en Christopher van Duijn

Vormgeving: Annika Leeuwenkuijl (Theatre Design 4), met hulp en inspiratie van Kim Rombouts

Regie – Arend Pinoy

Productie – Iris Jansen

Lichtontwerp en Techniek – Elisabeth Kaldeway & Floris Barnhoorn

Met dank aan – Sabine Dehne, Harm van Geel en Ellen Goemans

Speciale dank aan – Zoëzo, Jeroen Kriek en Nantsje Kroes

In het midden geworpen

Een interview met Arend Pinoy over de afstudeervoorstelling I throw myself into the middle

In het midden geworpen

Een interview met Arend Pinoy over de afstudeervoorstelling I throw myself into the middle

Denken ∞ Voelen

Een belangrijk vertrekpunt voor I throw myself into the middle is het verband  tussen denken en voelen. Vanuit daar hebben we gesproken over rituelen. En tijdens de repetities zijn we samen in de wereld van alternatieve therapiesessies gedoken, zoals: meditatie, TRE-therapie, paardencoaching, de Wim Hof techniek, kundalini yoga en ecstatic dance. Dat klinkt misschien vaag, maar het wordt concreet als iemand langkomt bij een repetitie om, bijvoorbeeld, een sessie lachyoga te geven. Zo’n concrete ervaring neem je als speler en maker mee als inspiratie voor de voorstelling.

Doorgaans werk ik niet met vaste teksten maar vanuit een thema. Dat betekent dat het materiaal van de voorstelling onderzoekend tot stand komt. Gaandeweg ontdek ik wat mij werkelijk in een thema interesseert, wie welke rol speelt en wat de lijn is van de vertelling.

Pauze als inspiratiebron

Eerst maakten we een begin: een fysieke, gestileerde therapiesessie met een sterke, hippie-achtige sfeer. Dit duurt ongeveer een half uur en is bedoeld om gemengde reacties op te roepen bij het publiek; enerzijds aantrekkelijk en fascinerend maar aan de andere kant ook vervreemdend en afstotelijk. Tijdens de repetities zijn we lang blijven steken op dit ‘begin’. Er zit iets in wat ik goed vind, maar ik loop er ook telkens op vast. Waar gaat dit naartoe? Wat gaat de voorstelling vertellen? En wat heeft dit te maken met wie deze mensen zijn?

Dan zie ik in een pauze hoe de acteurs met elkaar omgaan als ze niet op de scène staan; als ze niet bezig zijn met ‘theater’. Een zekere intimiteit en vanzelfsprekendheid binnen de groep intrigeert mij. Zij hebben vier jaar bij elkaar in de klas gezeten, van alles met elkaar meegemaakt – ze kennen elkaar van binnen en van buiten. Op dat moment besef ik dat de voorstelling daarover moet gaan: over wie zij zijn als groep.

Op een ander moment tijdens het repetitieproces zei Louis in een improvisatie: “Train ik te veel of train ik te weinig?”. Dat vond ik zo’n aandoenlijk, kleinmenselijk gegeven. Die onzekerheid! En dat hij zich die vraag stelt! Dat is met veel dingen zo, dat we ons afvragen wie wij eigenlijk zijn in relatie tot de ander.

En zo kom ik er achter wat mij in het proces écht interesseert. Dat blijkt de kleinmenselijke struggle te zijn waar ieder mens mee te maken heeft. Het gaat over de banale kwetsbaarheid van iedereen. Die is binnen deze groep in het klein aanwezig, maar daarin zit voor mij het hele leven vervat. Dat heeft iets treurigs, maar ook iets moois. Want die worsteling is tevens een bron van humor en ontroering.

Er half in, er half uit

Halverwege de voorstelling onderbreekt iemand de therapiesessie van het begin en activeert als het ware een meta-laag. Stefan stapt de scène op en vraagt de techniek om het licht aan te doen. Hij zegt letterlijk: “Sorry jongens, maar wat zijn we nou eigenlijk aan het doen?”. Er volgen reacties die de kwetsbare dynamiek binnen de groep blootlegt. ‘Echte’ onzekerheden, humor en frustraties komen naar boven en worden de inhoud van de voorstelling.

Als het goed is bevindt het publiek zich nu half in en half uit de voorstelling. Na het oplopen van de frustraties tot een ruzie, eindigt de voorstelling met een beeld waarin alle lichamen boven op elkaar liggen. Daarin zijn geen losse persoonlijkheden meer te herkennen. Individuen hebben plaats gemaakt voor een vleeshoop van liefde – het beeld van een groep die elkaar nodig heeft om een groep te zijn.

De ene avond werkte de voorstelling heel goed, de andere wat minder. Dat heeft te maken met de communicatie tussen spelers en publiek, in het bijzonder als het aankomt op het soort humor waarmee we werken. In andere voorstellingen kan je zoiets oplossen met een strakkere dramaturgie of via de tekst. Maar wij hadden het nodig om de voorstelling vaker te spelen zodat de acteurs van binnenuit konden ontdekken wat de juiste manier is om het stuk te spelen. De sleutel ligt volgens mij in het begin. Hoe de voorstelling start bepaalt immers welke kant hij oprolt. Daar ligt de uitdaging, de spanning en het gevaar…

Hoe dan ook is het grootste compliment dat ik heb gekregen afkomstig van studenten, die zeiden dat ze als groep nog nooit zo dicht bij elkaar zijn geweest als tijdens dit project.